De Tweemaster

Openbare Dalton Basisschool

Dalton in de praktijk

 

Dagkleuren

De dagkleuren worden gebruikt als communicatiemiddel. Omdat iedere dag in de week een eigen kleur heeft, kan die kleurcode op verschillende manieren worden toegepast in de organisatie van de groep. De dagkleuren liggen vast. In iedere groep van de school wordt op een duidelijk herkenbare manier aangegeven welke de dagkleuren zijn. Voor kinderen die problemen hebben met het zien van kleuren, gebruiken we tekens in ieder kleurenvak.

 


Uitgestelde aandacht

In het daltononderwijs wordt veel aandacht besteed aan zelfstandigheid. Een van de manieren om dit te stimuleren is het werken met uitgestelde aandacht. Dit stimuleert kinderen om eerst zelf te gaan zoeken naar een oplossing voor een probleem dat zich aandient en dat het niet altijd direct terecht kan bij de leerkracht. Het zet hen zelf aan het nadenken, en het voorkomt dat ze dingen gaan vragen die ze best zelf kunnen oplossen.

Ook leren ze op andere manieren aan hun informatie te komen; via andere kinderen, middels het gebruik van hulpbronnen op de computer en uit boeken. Als een kind er dan ook niet uitkomt, hangt hij of zij zijn fotootje op het takenbord bij het kopje: ‘ik heb een vraag.’

In die tijd heeft de leerkracht de tijd om die kinderen te helpen of om met een klein groepje kinderen aan de slag te gaan.

Om duidelijk te maken wanneer de uitgestelde aandacht ingaat, gebruiken we een symbool. In iedere groep hangt een lamp op een goed zichtbare plaats. Als de lamp aan staat is de leerkracht niet beschikbaar.

 

 

Meervoudige intelligentie, wat is dat eigenlijk?

“Het gaat er niet om hoe intelligent je bent, maar om hoe je intelligent bent".

Dit zijn de woorden van de Amerikaan Howard Gardner. Howard Gardner heeft een theorie ontwikkeld die er vanuit gaat dat ieder persoon over acht verschillende intelligenties beschikt. De ene intelligentie zal bij de één sterker ontwikkeld zijn dan de ander, maar iedereen beschikt over alle acht intelligenties. Het idee dat het ene kind slimmer is dan een ander kind, wordt door deze theorie van meervoudige intelligentie tegengesproken. Doordat bij iedereen weer andere intelligenties het sterkst ontwikkeld zijn, krijg je verschillende soorten slimheid. Iedereen is op zijn of haar eigen manier ‘knap’. Dit geldt ook voor kinderen. Ieder kind is ‘slim’ en ‘knap’, alleen op verschillende gebieden.

Het ene kind zal enorm uitblinken in rekenen en wiskunde, maar wat minder presteren in taal. Een ander kind zal ontzettend goed kunnen tekenen en knutselen, maar heeft moeite met theorie en gesproken uitleg. Dit verschilt per kind.

De acht verschillende intelligenties:

Op De Tweemaster zijn deze intelligenties vertaald naar opdrachtkaarten. Hieronder wordt elke intelligentie kort beschreven en de kaart getoond die wij ervoor hanteren.

Verbaal-linguïstisch:

Denkt in woorden, formuleert gemakkelijk, kan gemakkelijk ideeën onder woorden brengen, leest snel en met inzicht, kan goed argumenteren.

 

Logisch-mathematisch:

Ordent graag informatie, speelt graag met cijfers, overweegt bij het oplossen van problemen, redeneert logisch, denkt kritisch.

 

Visueel-ruimtelijk:

Neemt de werkelijkheid waar via ruimte en kleuren, heeft gevoel voor kleurnuances, tekent vaak figuurtjes of maakt krabbels, experimenteert met schetsen of ontwerpen, kan zich snel oriënteren in gebouwen, wijken, ..

.

Muzikaal-ritmisch:

Pikt snel melodietjes op, speelt graag een muziekinstrument, werkt met ezelsbruggetjes en rijmpjes om iets te onthouden, heeft een sterk gevoel voor ritme, stijl in stemgebruik, vertelt boeiend, ..

 

Lichamelijk-kinestetisch:

Reageert meestal met trefzekere bewegingen, heeft sterk gevoel voor gebruik eigen lichaam, kent fijne motoriek, sleutelt of knutselt graag, leert gemakkelijk iets door te doen of te spelen.

Naturalistisch:

Is gefascineerd door alles wat groeit en bloeit, herkent snel kenmerken van plant en dier, observeert en verklaart graag veranderingen in de natuur, leert gemakkelijk door waarnemingen buiten, kan goed verzamelen en ordenen, gaat graag met dieren om.

 

Interpersoonlijk:

Houdt van contact met anderen, werkt graag samen, voelt scherp aan wat anderen bezig houdt, voelt zich prettig in groepen, houdt van gezelligheid en feestjes, is graag bereid anderen te helpen.

 

Intrapersoonlijk:

Stelt zich graag op de achtergrond op, leeft in een eigen wereld, houdt van dagdromen, kent eigen sterke en zwakke kanten goed, neemt scherp waar wat er gebeurt, schrijft een dagboek, heeft gevoel voor reflectie, poëzie.

 

Hoe werkt het in de praktijk:

In iedere klas staat een kastje met daarin 8 laatjes. Voor iedere intelligentie is dus een laatje beschikbaar. De leerkrachten hebben bij iedere intelligentie opdrachten gemaakt waar de kinderen mee aan de slag kunnen. Het is de bedoeling dat ieder kind iedere week maximaal 45 minuten aan een opdracht werkt. De kinderen zijn tot op zekere hoogte vrij om een opdracht te kiezen die ze leuk vinden. Maar we willen de kinderen ook stimuleren om te werken met de intelligenties waar ze minder sterk in zijn. Zo ontwikkelen zij verschillende gebieden van intelligentie.


Dagritme

In de groepen 1/2 en 3/4 werken wij met dagritmekaarten.

Groep 1/2
In groep 1/2 gaat het om kaarten waarop de dagonderdelen getekend staan (kring, arbeid naar keuze, gym, buitenspelen, enz.). ‘s Morgens en ’s middags geeft de leerkracht of een kleuter aan wat er dat dagdeel op het programma staat. Ook tussendoor verwijst de leerkracht naar de ‘stand van zaken’ of vraagt aan een kind te vertellen wat er nu op het programma staat.

De kinderen leren een relatie te leggen tussen de afbeelding op de dagritmekaart en de activiteit die daarbij hoort. Zij ondervinden dat een dagdeel een opeenvolging van activiteiten kent. Kinderen kunnen zelf (zelfstandigheid) zien hoe de ochtend of middag gestructureerd is door naar de dagritmekaarten te kijken.

 

Groep 3/4

Ook groep 3/4 werkt met dagritmekaarten waarop de vakken van de dag getekend en geschreven staan (rekenen, weektaak, taal, spelling, schrijven enz.) De leerkracht neemt niet meer standaard aan het begin van de ochtend of middag de dagritmekaarten door. De leerlingen kunnen inmiddels zelf aflezen wat er op het programma staat. Als er bijzonderheden zijn, brengt de leerkracht dit onder de aandacht van de leerlingen.

 

Pictogrammen

Op onze school worden op het Daltonbord en voor de keuzekast pictogrammen gebruikt. Een aantal pictogrammen wordt door de hele school gebruikt.

 

 

 

 

Groep 1/2
In deze groep beginnen de kinderen te leren wat de dagritmekaarten inhouden. Ook hierbij hoort het gebruik van pictogrammen. De kinderen leren een relatie te leggen tussen de afbeelding op de dagritmekaart en de activiteit die daarbij hoort. Zij ondervinden dat een dagdeel een opeenvolging van activiteiten kent. Kinderen kunnen zelf (zelfstandigheid) zien hoe de ochtend of middag gestructureerd is door naar de dagritmekaarten te kijken.
Naast de dagritmekaarten wordt op het Daltonbord diverse onderwerpen aan de kinderen duidelijk gemaakt. Zo zijn er pictogrammen om aan te geven wat de datum, de dag van de week, het seizoen etc. is. Pictogrammen worden ook gebruikt om de kinderen duidelijk te maken welke opdracht ze moeten maken. Daarnaast is de verdeling van de huishoudelijke taakjes te zien.

In deze groep wordt ook de keuzekast geïntroduceerd. Dit is een kastje met daarin 8 laatjes en ieder laatje heeft een pictogram dat staat voor één van de 8 intelligenties. De leerkrachten hebben bij iedere intelligentie opdrachten gemaakt waar de kinderen mee aan de slag kunnen. Het is de bedoeling dat ieder kind iedere week maximaal 45 minuten aan een opdracht werkt. De kinderen zijn tot op zekere hoogte vrij om een opdracht te kiezen die ze leuk vinden. Maar we willen de kinderen ook stimuleren om te werken met de intelligenties waar ze minder sterk in zijn. Zo ontwikkelen zij verschillende gebieden van intelligentie.

Groep 3/4
In deze groep wordt ook het dagritme op het Daltonbord door middel van pictogrammen aangegeven. De zelfstandigheid wordt meer uitgebreid en er komen pictogrammen bij of er verdwijnen juist pictogrammen. Doordat de kinderen al gewend zijn geraakt aan de pictogrammen, verloopt in het algemeen de overgang van 1/2 naar 3/4 soepel.

Groep 5/6
Het Daltonbord wordt nu een bord waarop de weektaak te zien is. De leerlingen kunnen zo alvast plannen voor de hele week. De huishoudelijke taken worden ook in deze groep aangegeven door middel van pictogrammen.

Groep 7/8
Er wordt in de groep gebruik gemaakt van pictogrammen voor het zelfstandig werken en de huishoudelijke taken. Wel neemt het aantal pictogrammen voor het zelfstandig werken af.

Instructietafel
In elk lokaal staat een instructietafel. Als de leerkracht een instructie geeft aan een groep, zit deze betreffende groep aan de instructietafel. De andere groep kan dan zelfstandig aan zijn/haar eigen tafel werken. De leerkracht gebruikt dus deze instructietafel voor verlengde instructie, de groepsinstructie of individuele hulp.

Nakijken
Wij hechten grote waarde aan het zelf corrigeren door de kinderen. Dit geldt zowel voor opdrachten binnen de taak als opdrachten daarbuiten.
Zelfcorrectie heeft een aantal voordelen:
  • Het kind krijgt meteen feedback op zijn werk. Het hoeft niet te wachten tot hij het werk pas later terugkrijgt van de leerkracht.
  • Het heeft een duidelijk leereffect, omdat het kind, als het een fout ontdekt, zich meteen zal afvragen hoe deze fout kon ontstaan.
  • Het geeft de kinderen hierdoor beter inzicht in wat ze zelf kunnen en bij welke zaken ze hulp moeten vragen van de leerkracht.
In het algemeen geldt, dat
  • In iedere groep een nakijktafel staat met daarop mappen met antwoordbladen en nakijkboekjes.
  • De leerkracht het werk van de kinderen al dan niet steekproefsgewijs door loopt.
  • De kinderen aan hun eigen tafel nakijken of aan de nakijktafel
  • De kinderen aangeven of zij al dan niet tevreden over hun werk zijn.
  • De kinderen het nagekeken werk op een vaste inleverplek leggen.
  • We de kinderen leren bij ons te komen, als ze extra instructie willen.
  • Alle toetsen door de leerkracht nagekeken worden.
Zelfstandig werken
Het leren zelfstandig te werken
Kinderen willen graag zelf “actief” bezig zijn en het zelfstandig werken motiveert hen daarbij. Zij leren zelf bepalen wanneer iets gemaakt wordt, op welke manier en in welk tempo. Wanneer zij zelfstandig werken en niet meer groepsgebonden hun lessen moeten volgen kunnen alle leerlingen werken op hun eigen niveau. In het Daltononderwijs wordt veel aandacht besteed aan een grote mate van zelfstandigheid.
Een van de manieren om dit te stimuleren is het werken met uitgestelde aandacht. Dit stimuleert kinderen om eerst zelf te gaan zoeken naar een oplossing voor een probleem dat zich aandient en dat het niet altijd direct terecht kan bij de leerkracht. Het zet hen zelf aan het nadenken, en het voorkomt dat ze dingen gaan vragen die ze best zelf kunnen oplossen. Ook leren ze op andere wijze aan hun informatie te komen; via andere kinderen, door het gebruik van hulpbronnen op de computer en uit boeken.

In die tijd heeft de leerkracht de tijd om bijvoorbeeld met een kleine groep kinderen aan de slag te gaan. Natuurlijk betekent uitgestelde aandacht geen afgestelde aandacht. Na het zelfstandig werken wordt met de kinderen met regelmaat gesproken over hoe het werken verlopen is.

 

Taakmiddelen

Het werken met een taak:
Op Dalton Basisschool de Tweemaster werkt ieder kind met een dag- of weektaak. Vanaf het moment dat de kinderen op school komen, werken ze met taken. Soms hebben nieuwe leerlingen behoefte om een weekje te wennen. Daar komen we aan tegemoet. De ontwikkeling loopt op van een taakje van één of een paar opdrachten per dag tot een volledige weektaak in groep 8. Het werken aan de weektaak gebeurt iedere dag op vaste tijden die op het Daltonbord te zien zijn. Zo weet ieder kind, wanneer en hoe lang een kind zelfstandig kan werken. Tijdens het zelfstandig werken geniet ieder kind een bepaalde vrijheid. Deze vrijheid ligt op het gebied van:
ü het vakgebied: aan welk vak er gewerkt gaat worden
ü de samenwerking: of er samengewerkt gaat worden
ü werktijd: hoe lang er aan een vakgebied gewerkt gaat worden.
De (beperkte) vrijheid is duidelijk begrensd. De taak moet wel af zijn na een week.
De ‘dag- of weektaak’ is een formulier, waarop de opdrachten voor de kinderen staan. Deze overzichten zijn niet voor alle groepen of alle kinderen hetzelfde. We houden rekening met wat kinderen over het algemeen aankunnen. Zo werkt groep 1/2 met een weektaak, waarop per week vier opdrachten staan. De overgang naar groep 3 is dat de kinderen een weektaak krijgen waarop zes werkjes staan. In groep 4 krijgen de kinderen een weektaak, maar dit is in feite een verzameling van dagtaken. Vanaf groep 5 zijn de taken per vakgebied geordend.

Door het bundelen van alle taken in de vorm van een weektaak krijgen de kinderen een beeld van de hoeveelheid werk, de samenstelling van een taak, de soorten opdrachten en de verschillende vakgebieden. Omdat het werk steeds met dagkleuren wordt afgetekend, wordt het inzicht in en het overzicht van het weekritme versterkt. Hier hebben kinderen houvast aan. Als de kinderen een taak af hebben, kleuren ze het met de dagkleur af.

Vanaf groep 5, als de taken per vak geordend zijn, leren we de kinderen een weekplanning te maken die ze met de dagkleuren aangeven. Hierdoor krijgen ze nog meer gelegenheid het werk naar eigen inzicht in te delen.

Op de weektaak bieden we de kinderen een zo ruim mogelijke variatie aan in de vakgebieden, waarbinnen ieder kind op eigen niveau, in eigen tempo en volgens een zelf bepaalde volgorde het werk binnen een bepaalde tijd maakt.

Bij het maken van een weektaak houden we rekening met tempo- en/of niveauverschillen bij de kinderen, maar ook met de behoefte aan structuur van het individuele kind. Er zijn kinderen die de taken van de week niet goed kunnen overzien, ondanks dat ze deze met de kleur van de dag hebben ingekleurd. Voor deze kinderen bundelen we de vakken per dag. Daarbij gaan we uit van de vakken die op die dag aan de orde komen.

De weektaak is er niet alleen maar voor om aan te geven welke taken de kinderen moeten maken. We geven ook aan voor welke opdrachten de kinderen klassikale instructie krijgen. Of dat we een opdracht allemaal tegelijk maken, zoals toetsen. Op het Daltonbord geven we met dagritmekaarten aan op welk moment van de dag de instructies plaatsvinden. Dit dagrooster bespreken we aan het begin van de dag.

Op de weektaak staan de basis- en verrijkingsstof aangegeven. We verwachten van de kinderen, dat ze de basisstof in ieder geval afhebben, tenzij we het met individuele kinderen anders afspreken. Als de kinderen hiermee klaar zijn werken ze verder aan een verrijkingstaak of een vrije taak naar eigen keuze. Op de weektaak staan suggesties voor verrijkingstaken.

 

Nakijken en registreren van de weektaak
Als de leerlingen het werk af hebben, kijken ze eerst zelf na m.b.v. een nakijkschrift. In elke groep is een nakijktafel beschikbaar. De leerlingen kleuren in groep 5/6 op de weektaak met de kleur van de dag af als ze een opdracht af hebben. In groep 7/8 schrijven ze de tijd op dat ze klaar zijn.

Nadat het werk nagekeken is, leveren ze het werk in. In de meeste groepen doen ze hun werk in een plastic mapje. Aan het eind van de dag worden deze mapjes verzameld en door de leerkracht bekeken en afgetekend d.m.v. een stempelsticker, krul of paraaf. In groep 7/8 wordt het werk ingeleverd in bakken. De leerkracht haalt het nagekeken werk uit de bakken en tekent het werk af.

Aan het eind van de week wordt met de leerlingen besproken welk werk nog niet af is. In sommige gevallen kan er dan wat werk mee naar huis worden gegeven of de leerling blijft iets langer op school om het werk af te maken. Dit is afhankelijk van de leerling en de situatie.
De weektaken gaan afloop van de week in het portfolio van de leerlingen.

Samenwerkend leren
Het gaat hierbij om het creëren van situaties waarbij leerlingen van en met elkaar leren.
Zwakke en middelmatige leerlingen hebben duidelijk baat bij samenwerking met goede leerlingen. Goede leerlingen presteren meer als ze samenwerken met zwakke en middelmatige leerlingen dan als ze alleen werken. Zij leren nieuwe leerstrategieën door de leerstof in een ander perspectief te zien en opnieuw te doordenken wanneer ze het uitleggen aan een andere leerling.
In onze taalmethode Taaljournaal zitten veel opdrachten voor samenwerkend leren. Ook met de wereld oriëntatie vakken zijn veel opdrachten voor samenwerkend leren.
Een andere vorm van samenwerkend leren is het mentorleren.
Enkele voorbeelden daarvan van onze school zijn:
  • groep 7/8 organiseert een spelmiddag voor groep 1/2 met de sportdag
  • groep 7/8 is mentor van groep 3/4 bij de technieklessen
  • groep 5/6 is mentor van groep 1/2 bij de technieklessen.
  • samenwerkingsopdrachten bij het jaarlijkse schoolproject
copyright © 2014 | Dalton Basisschool De Tweemaster | Duivestein 25 | 2641 LG Pijnacker
Directie K. De Bruin | tel. 015-3693041 | email: k.debruin@de-tweemaster.nl | powered by emjee ICT diensten | Inloggen |